Olaf Sleijpen
Divisiedirecteur Toezicht Beleid bij De Nederlansche Bank

“Wij staan positief ten opzichte van de hoofdlijnennota. De staatssecretaris heeft een koers uitgezet naar modernisering van ons stelsel, die wat ons betreft hard nodig is. DNB kan zich vinden in de richting die zij schetst. We gaan naar een stelsel waarin meer ruimte wordt geboden voor persoonlijke keuzes. Deelnemers willen meer flexibiliteit. Dat betekent ook dat we gaan schuiven van uitkeringsovereenkomst richting premieregeling. Doel daarbij is wel om de goede elementen van ons huidige systeem te behouden. Dan doel ik op de schaalvoordelen en de risicodeling, waarbij je elkaars demografische risico van het eerder overlijden deelt, net als het spreiden van schokken die de markt veroorzaakt. De vraag is dus: Hoe kun je naar een premieregeling waarin je dat toch voor elkaar krijgt? Daar zijn mogelijkheden voor, daar kun je afspraken over maken.
DNB staat positief tegenover een pensioenstelsel waarbij mensen een individueel potje krijgen en waardoor eigendomsrechten dus veel helderder worden. Ten eerste vanwege het idee dat je mensen dan meer betrokken kunt maken: deelnemers moeten straks zelf ook een beetje bijhouden hoe het met hun pensioen zit. Nu is er wantrouwen ten opzichte van de pensioenwereld. Meer transparantie kan daar verandering in brengen, zeker bij jonge mensen. De afgelopen jaren is er bovendien, door politiek, fondsen én sociale partners, vaak geschoven met vermogens, van de ene naar de andere generatie. Daar verzetten mensen zich terecht tegen. En het frappante is dat zowel jongeren als ouderen dat doen. Met duidelijke eigendomsrechten kan dat verschuiven niet meer zo makkelijk.
DNB gaat niet voorschrijven hoe ons stelsel eruit moet zien, want dat is aan de wetgever en de sociale partners. Maar als toezichthouder vinden we het wel belangrijk dat de belangen van verschillende generaties evenwichtig worden afgewogen. En dat er geen verwachtingen gecreëerd worden die we niet waar kunnen maken.”



Gerard Riemen
Algemeen Directeur van de Pensioenfederatie

“Het allerbelangrijkste is dat de staatssecretaris met deze hoofdlijnennota zegt: dit is het moment om door te pakken, maar dat er tegelijkertijd open wordt gelaten waar we precies zullen uitkomen. In onze visie is met name het spanningsveld tussen collectieve risicodeling en individuele keuzevrijheid belangrijk. De meest fundamentele vorm van keuzevrijheid is dat ieder individu uit het systeem kan stappen en dat is meteen ook de grootste bedreiging voor het collectief. Nu stelt niemand voor dat je uit het pensioenstelsel zou moeten kunnen stappen, maar dan stel ik wel meteen de vraag: Welke keuzevrijheid kan dan wel? Ook met inspraak op hoe mijn geld belegd wordt, terwijl mijn fonds een bepaalde pensioenuitkering als ambitie heeft, is dat spanningsveld er. Binnen die discussie zijn er partijen die meer belang hechten aan individuele eigendomsrechten dan aan de mate van collectieve risicodeling die wij voorstaan. Een eigen potje met geld, waar je mogelijk al voor de pensioengerechtigde leeftijd over kunt beschikken – bijvoorbeeld om een huis te kopen – vinden wij dus geen goed idee. Ten eerste moet een pensioenfonds ook doen aan risicospreiding en zijn huizen op het moment niet bepaald waardevast. Maar belangrijker: zo mis je de voordelen van collectiviteit.
In de discussie merk je vooral dat iedereen probeert om alles in het hokje ‘premieregeling’ of in het hokje ‘uitkeringsovereenkomst’ te stoppen. Maar het punt is nu juist dat we zoeken naar een vorm die we nog niet kennen, en die niet in die hokjes past. De discussie over de doorsneesystematiek leidt af van de hoofdzaak, want die systematiek hoort onlosmakelijk bij de huidige uitkeringsovereenkomsten. Maar we praten al over andere soorten regelingen! Daar vloeit een overeenkomst uit, en natuurlijk moet je dan kijken hoe de transitie kan verlopen. Maar nu praten over wel of niet afschaffen van de doorsneesystematiek is totaal overbodig, daar gaat een veel groter vraagstuk aan vooraf. We moeten die tijd helemaal niet besteden aan die discussie.”



Ap Fraterman
Secretaris Pensioenbeleid bij Werkgeversorganisatie VNO-NCW / MKB Nederland

“We staan aan de vooravond van wezenlijke veranderingen in ons pensioenstelsel, en de hoofdlijnennota geeft een goede aanzet. Het meest spannende onderdeel is het afscheid van de doorsneesystematiek. Een definitief standpunt hebben wij daar nog niet over, maar duidelijk is dat die wél een sta-in-de-weg is bij hervormingen. De discussie over de transitiekosten – geschat op honderd miljard euro – is een interessante, maar wat ik ook wil zeggen: als we er niet uitkomen, zou dat echt een gemiste kans zijn. Zo’n wijziging kun je het beste doen op een moment dat je er zo min mogelijk last van hebt, en dat is nu, vanwege de lage rente.
De overstap van DB- naar DC-regeling was in Nederland lange tijd vloeken in de kerk, maar eigenlijk zijn we al een heel eind die kant opgeschoven. Zie bijvoorbeeld het BPF met afspraken over een premiemaximum en ook heel wat ondernemingspensioenfondsen met hun CDC-regelingen. Dan zeggen wij: wen er maar aan, dan kun je ook beter weloverwogen keuzes maken. Laten we creatief zijn en bedenken hoe we zoveel mogelijk van de waardes uit ons huidige stelsel kunnen behouden. Verantwoord werkgeverschap blijft voor ons het startpunt. We hebben in de SER getekend voor het onderzoeken van de mogelijkheden van collectieve risicodeling binnen DC en daar staan we nog steeds achter. Maar het moet natuurlijk wél een werkbare pensioenregeling opleveren. Overigens zijn we nu al bezig met optimalisering van de premieovereenkomst, door een aantal pijnpunten uit de huidige DC-regelingen te halen. Daarin is het nu verplicht om een onvoorwaardelijke annuïteit te kopen als je de pensioenleeftijd bereikt. Als de rente toevallig laag is, krijg je daarmee een veel lager pensioen dan bij een hogere rente. Met de pensioenknip is daar al iets tegen te doen: je neemt maar een deel op en wacht een paar jaar op een (hopelijk) hogere rente. De nieuwe regeling maakt het mogelijk om je pensioenspaarpot tijdens pensionering deels te blijven beleggen. Dat is een voorbeeld van hoe je DC-regelingen gunstiger kunt maken.”



Gijs van Dijk
Dagelijks Bestuurder en Pensioenexpert bij FNV

“De sleutel voor ons, los van welke hervorming of stelselwijziging dan ook, is samen de risico’s delen. Voor ieder stelsel geldt dat je uiteindelijk voor de deelnemers het meeste geld wilt overhouden. Je hoort ook wel eens ideeën over ‘iedereen zijn eigen, individuele pensioenpotje’, maar daar zie ik niets in. Bij lage rente heb je dan pech en bij hoge rente geluk? Dat willen we volgens mij niet. Dat betekent niet dat ik tegen alle keuzevrijheid ben. De mogelijkheid om te kiezen voor eerst wat meer, en later wat minder pensioen bestaat al, en zou wat mij betreft voor iedereen een optie moeten zijn. Uit eigen onderzoek van FNV blijkt dat mensen keuzevrijheid willen, maar tegelijkertijd wensen dat het begrijpelijk blijft. En als meer keuze leidt tot minder vermogen, kiezen ze toch voor een hogere uitkering.
De staatssecretaris neigt nu naar een stelsel met individuele potjes en collectieve risicodeling. Wat ons betreft blijft er nog een tweede variant op tafel, en dat is een vorm waarin we de huidige uitkeringsregels wat minder streng maken. Op dit moment moet een fonds voor 97,5 procent garanderen dat een deelnemer de nominale inleg terugziet. Dat kan misschien ook wat minder, zodat een iets progressiever beleggingsbeleid mogelijk wordt. Maar ik zeg erbij: ook dat moet je onderzoeken. In die fase zitten we echt nog.
Wat betreft de doorsneesystematiek maak ik mij vooral zorgen over de overgang naar een ander systeem, die volgens het CPB honderd miljard euro gaat kosten. Die rekening kun je niet eenzijdig neerleggen bij de deelnemers. Dat zou erop neerkomen dat we daar de twintigers en dertigers van nu de komende decennia mee belasten, terwijl we die systematiek nu juist problematisch vinden omdat geld van jong naar oud overgeheveld wordt. Dit is ook een politiek probleem, waarvoor niemand nog een oplossing heeft – ook ik nog niet. Het zou ook kunnen dat het toch beter is de knelpunten binnen het huidige systeem op te lossen.”



Jurjen Hoekstra
Pensioenwoordvoerder van de Jonge Democraten

“De Jonge Democraten (JD) is enthousiast over de hoofdlijnennota van het kabinet. In 2013 maakten wij samen met de Jongerenorganisatie Vrijheid en Democratie (JOVD) en de Jonge Socialisten (JS) een tienpuntenplan voor de toekomst van het pensioenstelsel. Daar zien we een aantal dingen van terugkomen in deze nota. Ten eerste gaat het dan om het afschaffen van de doorsneepremie. Dat moet, want die is gewoon niet eerlijk. Jongeren betalen te veel, ouderen betalen te weinig. Daarnaast komt er meer keuzevrijheid, ook iets wat wij graag willen. Tot twintig procent van je loonruimte gaat op aan pensioen, terwijl je er niets over te zeggen hebt. We zijn blij dat daar nu iets aan gaat veranderen.
In onze visie zullen we straks ook een veel kleiner aantal pensioenfondsen hebben, waar je als individu zelf een keuze in kunt maken. Op die manier blijft het mogelijk om geld collectief te beleggen en daar de vruchten van te plukken. Maar tegelijkertijd zullen pensioenfondsen ook moeten concurreren en zichzelf dus aantrekkelijk moeten maken. Met een individueel potje krijg je meer inzicht: Hoeveel premie heb je ingelegd, hoeveel rendement is er behaald, wat wordt dan je pensioen? Als je dat weet kun je ook goed vergelijken. In mijn omgeving zie ik veel dertigers en veertigers die betwijfelen of ze ooit nog pensioen krijgen. Transparantie is nodig om dat vertrouwen terug te winnen. Gevaar voor de collectiviteit zie ik alleen als het niet meer verplicht is om deel te nemen. Die verplichting blijft dus, en komt er wat ons betreft ook voor zzp’ers en ondernemers. Principieel zouden wij die liever vrij laten, maar de praktische bezwaren geven hierbij de doorslag. Het aantal zzp’ers in Nederland neemt enorm toe en er is veel concurrentie. Dat heeft invloed op de tarieven en dan komt het sparen voor pensioen onder druk.
De staatssecretaris zet haar stappen behoedzaam en voorzichtig. Er is veel tegengas van fondsen en vakbonden die bang zijn hun macht kwijt te raken. Maar wat ons betreft is het nu vooral zaak tempo te houden, want de veranderingen zijn echt nodig.”



Marcel Lever
Programmaleider Pensioenen bij het Centraal Planbureau

“De nota bevat een goede schets van welke punten in ons pensioenstelsel nieuwe aandacht behoeven. Het uitgangspunt van brede deelname is van belang omdat er steeds meer mensen zijn die niet onder een CAO vallen. Ook besteedt de nota aandacht aan de vraag of het huidige stelsel voldoende actuarieel fair is: als werknemers switchen naar ondernemerschap hebben zij weinig pensioenrechten in verhouding tot de betaalde premie. Voor zzp’ers die in dienst gaan is het omgekeerde het geval.
Uit internationale vergelijkingen blijkt verder dat veel landen meer keuzevrijheid bieden dan wij hier in Nederland doen. Het is de moeite waard om te kijken welke elementen we kunnen kopiëren. Relevant voor de discussie over collectiviteit versus keuzevrijheid is dat de voordelen van collectiviteit wat aan het afnemen zijn, zo blijkt uit berekeningen. De schokken van de markt konden voorheen deels worden opgevangen door ook toekomstige generaties mee te laten betalen. Nu er minder jongeren en meer ouderen zijn, is de bijdrage die de jonge generatie kan leveren aan herstel van de buffer kleiner geworden. Dan kom je bij de vraag: Zijn de voordelen van collectiviteit nog groot genoeg? Daarop hebben we nog geen definitief antwoord. Op dit moment onderzoeken we bijvoorbeeld hoe dicht je bij het resultaat van collectieve regelingen kunt komen met individuele contracten.
Een lastige vraag is welke gevolgen het heeft als een werknemer zelf kan kiezen voor een pensioenuitvoerder. In het buitenland zijn daar wel voorbeelden van, alhoewel die overigens lang niet allemaal goed werken. Soms worden de kosten te hoog, bijvoorbeeld vanwege marketinguitgaven. Wellicht kunnen sociale partners een rol spelen in het drukken van die kosten. Sowieso moet er altijd een goede default-optie zijn: de standaard voor mensen die niet willen of kunnen kiezen. De groep die wel wilt kiezen blijkt veelal beperkt, wat er weer voor pleit een systeem met keuzeopties nooit te duur te maken.”